Download hele richtlijn

Cognitieve gedragstherapie

Uitgangsvraag

Wat is het effect van cognitieve gedragstherapie op pijn bij patiënten met kanker?

Methode: evidence-based

Aanbeveling

  • De toepassing van cognitieve gedragstherapie voor de behandeling van pijn bij patiënten met kanker wordt niet aanbevolen (2D).

Inleiding

Indicatie: Cognitieve gedragstherapie richt zich zowel op de gedachten en gevoelens van patiënten als op hun lichamelijke toestand. De therapie kan zich op uiteenlopende doelen richten, waaronder het verlichten van pijn.
Uitvoeringswijze: Cognitieve gedragstherapie is een vorm van psychotherapie waarin met name gebruikgemaakt wordt van interventies gebaseerd op de Rationele Emotieve Therapie (RET) en van interventies gebaseerd op zowel klassieke als operante conditionering. Andere elementen van een dergelijke behandeling kunnen zijn: het aanleren van ontspanningsoefeningen, een stimulerende gedragstraining in het doseren of het uitbreiden van activiteiten, het verminderen van communicatiestoornissen met partners of belangrijke anderen, het omvormen van negatieve c.q. irrationele denkbeelden.

Deze module is een evidence-based update van de module van de NVA-richtlijn van 2008.
In 2008 kwam de werkgroep niet tot een specifieke conclusie en aanbeveling over cognitieve gedragstherapie.

Literatuur

Beschrijving van de studies

Tot 2007
Hoewel een review is gepubliceerd over cognitieve gedragstherapie bij patiënten met borstkanker [Tatrow 2006] is deze hier niet opgenomen omdat bij de studies waarin pijn een uitkomstmaat was de cognitieve gedragstherapie in alle gevallen gecombineerd werd met relaxatie of geleide verbeelding.

2007-2016
Er zijn twee systematische reviews gevonden.
In de systematische review van Kwekkeboom [2010] zijn in totaal 21 studies bij diverse vormen van kanker geïncludeerd in de vergelijking cognitieve gedragstherapie versus een onbehandelde controle-arm. In 11 van deze studies werd het effect van cognitieve gedragstherapie op pijn (al dan niet gecombineerd met het effect op vermoeidheid en/of slaapproblemen) onderzocht.
In de systematische review van Mustafa et al [2013] zijn 10 studies bij in totaal 1378 patiënten met een gemetastaseerd mammacarcinoom geïncludeerd in de vergelijking cognitieve gedragstherapie versus een onbehandelde controle-arm. In drie van deze studies (bij in totaal 279 patiënten) werd het effect onderzocht van cognitieve gedragstherapie op pijn.

Kwaliteit van bewijs

De systematische review van Kwekkeboom [2010] heeft niet duidelijk het protocol van de review beschreven, onafhankelijke selectie en data-extractie met twee reviewers, geen grijze literatuur gezocht, géén synthese van de gevonden evidence, en heeft géén assessment op publicatie bias gedaan, wat een risico op bias is. De systematische review van Mustafa [2013] heeft een laag risico op bias. 

Cognitieve gedragstherapie versus onbehandelde controle-arm

In de systematische review van Kwekkeboom [2010] zijn vier studies gevonden die een significant verschil in pijnscore tussen de interventie- en controlegroep hebben gevonden en zeven studies zonder significant verschil. 
In de systematische review van Mustafa [2013] werd een statistisch significant verschil gevonden in het pijnniveau na 1 jaar follow-up bij één van de drie studies. In deze review werd een meta-analyse verricht van deze drie studies, waarbij een significant verschil werd gevonden ten voordele van de interventiegroep (gemiddeld verschil: -0,58 (op een schaal van 0-10), 95%-CI: -0,98 tot -0,18).
 

  • Er is conflicterend bewijs gevonden betreft het effect van cognitieve gedragstherapie versus géén cognitieve gedragstherapie op het effect van pijn bij patiënten met kanker.
    [Kwekkeboom 2010, Mustafa 2013]

In de NVA-richtlijn van 2008 is geen aanbeveling gedaan over cognitieve gedragstherapie. Gelet op de tegenstrijdige bevindingen van de verschillende studies en het weliswaar statistisch significante, maar niet klinisch relevante verschil in pijnscore in de meta-analyse van Mustafa is de werkgroep van mening dat er onvoldoende reden is om cognitieve gedragstherapie aan te bevelen voor de behandeling van pijn bij patiënten met kanker.